Mondelinge vraag aan minister De Block: bevoegdheid Leidend Ambtenaar van Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle

Door Yoleen Van Camp op 11 maart 2019, over deze onderwerpen: Volksgezondheid

Mevrouw de minister, artikel 6 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces en, meer bepaald, dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
Bovendien dient elke bestuursoverheid zich in de uitoefening van haar bevoegdheden te gedragen overeenkomstig de eisen van behoorlijk bestuur.

De volgende vragen rijzen hieromtrent:

  1. Kan het dat de Leidend Ambtenaar van de DGEC, die als administratief orgaan de taak heeft om zich uit te spreken over procedures jegens zorgverleners die inbreuken hebben begaan tegen de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (GVU-wet) door te oordelen of de tenlasteleggingen voldoende bewezen zijn en of er een administratieve geldboete moet worden opgelegd, in bepaalde dossiers eveneens optreedt als het “hoofd van het onderzoek”, dat als taak heeft controle uit te oefenen op het onderzoek, akkoord te gaan met de inhoud van het Proces-Verbaal van Vaststelling, het onderzoek af te sluiten en nadien over te maken aan de Leidend Ambtenaar?
    • Schendt het optreden van éénzelfde persoon als Leidend Ambtenaar én als hoofd van het onderzoek de onafhankelijkheid en onpartijdigheid overeenkomstig artikel 6 EVRM niet?
  2. Schendt een beslissing van de Leidend Ambtenaar (i.e. een bestuurshandeling) de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur niet doordat de Leidend Ambtenaar de hierboven vermelde taken en bevoegdheden tegelijkertijd uitvoert?
    • Worden het zorgvuldigheidsbeginsel (de overheid moet een beslissing zorgvuldig nemen en daarbij alle belangen en feiten onderzoeken, de rechtsonderhorige correct behandelen, de procedure volgen en tot een deugdelijke besluitvorming komen), het fair-playbeginsel (de overheid moet zich onpartijdig opstellen bij het nemen van een beslissing en doet dit met de noodzakelijke openheid en eerlijkheid) en het specialiteitsbeginsel (de overheid mag alleen die belangen behartigen waarvoor er een grondslag in de wetgeving is bepaald) hierdoor niet geschonden?
  3. Kan een beslissing slechts op grond van een schending van het onpartijdigheidsbeginsel worden vernietigd voor zover de ‘specifieke structuur van het bestuur’ de toepassing van het genoemde beginsel niet onmogelijk maakt? Is met andere woorden het onpartijdigheidsbeginsel slechts van toepassing op de organen van het actief bestuur in zoverre dit verenigbaar is met ‘de eigen aard, inzonderheid de structuur’ van het bestuur? Dient een beslissing van het bestuur niet altijd onafhankelijk en onpartijdig te worden genomen, los van de structuur van dit bestuur?

 Van zodra we het antwoord van de minister ontvangen, zullen we dat hier publiceren

 

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is